Home Column's Column 16

Column 16

Wegwerkzaamheden

  

Het is de dinsdag dat ik extra moet werken. Nou ja, moet… Eenmaal in de vier weken verzorg ik de verloning (de medewerkers willen toch graag beloond worden voor hun uitgevoerde werkzaamheden). Op maandag maak ik alles klaar en op dinsdag wordt de rest afgerond. Dan kan het de deur uit. Dit doe ik lekker onder de schooltijd van mijn kinderen.

 

De dag begint goed (laat ik positief starten). Lars, Tara en Cindy zijn vlot hun bed uit. Beneden heeft Erik het ontbijt al klaar gezet. Af en toe toch wel handig dat hij nu geen werk heeft. Gezellig zitten we met z’n vijven te ontbijten. De kinderen kletsen ons de oren van het hoofd en vergeten te eten.

 

“Fijn”, geniet ik, “wat een heerlijk stel bij elkaar.”

 

Plotseling dringt de realiteit weer tot me door, ik kijk op de klok en spring op: “Kom op kinders, we moeten weg.”

 

“Ik heb mijn drinken nog niet op”, roept Lars paniekerig.

 

Het is ook overal hetzelfde, altijd alles op het laatste moment. Ik reageer er niet op, haal de jassen uit de gang. Inmiddels is Lars druk bezig zijn drinken naar binnen te klokken.

 

Vlug trek ik mijn jas aan en zie dat de kinderen worstelen met die van hen. De één krijgt de rits niet dicht, de ander vind zijn mouw niet en de volgende trekt hem ondersteboven aan. Geweldig, zo’n stel. Met de schoenen aantrekken is het al niet anders. Ik berust er maar in, iedere ochtend is hetzelfde ritueel.

 

Eindelijk zitten we allemaal in de auto. Ik trek op en rij de straat uit, richting de Suermondsweg. Daar aangekomen zie ik een wit/rood gestreept bord, midden op de weg staan. Een auto voor mij staat er twijfelend voor. Zal hij doorrijden, of niet…? Ja, verhip hij rijd er langs. Snel volg ik, alsof ik bang ben dat anders het bord de hele weg zal opslokken. Nog geen honderd meter verder staat weer zo’n bord. De auto voor mij geeft op, hij vliegt de dam bij één van de huizen in. Maar ik ben niet voor één gat te vangen! Langzaam rij ik langs het tweede bord, schat de situatie in en zie, dat als ik voorzichtig rij, nog net langs de werkzaamheden de Julianastraat in kan schieten. Ik draai het stuur om en merk vanuit mijn ooghoek dat de stratenmakers mijn kant opkijken. Boven hun hoofd hangt een wolk met de tekst: ‘Hoe gaat mevrouw dit oplossen?’

 

Plotseling doemt er weer een bord op. Hij staat net om de bocht aan de rechterkant van de weg, precies links staat een auto geparkeerd. Snel trap ik op de rem, overzie het tafereel en hef wanhopig mijn armen ten hemel. Ik gooi wat woorden uit mijn mond, die ik hier maar liever niet herhaal (af en toe ontsnapt er in bepaalde situaties wel eens wat). Blijkbaar zie ik er toch wel meelijwekkend uit, want één van de mannen loopt op het bord af en schuift het opzij. Met een handgebaar maakt hij duidelijk dat ik er langs mag. Beschaamd buig ik mijn hoofd en hef mijn rechterhand als dank omhoog. Ik durf de man niet aan te kijken.

 Als ik verder rij besef ik dat ik door de haast helemaal verkeerd gereageerd heb. Waarom moest ik zo nodig doorrijden? Waarom ben ik niet omgedraaid bij het eerste bord? Omdat het me een paar minuten kost? Ik ben de wegwerkzaamheidmeneer zeer dankbaar voor zijn lieve gebaar en schaam me diep. Maar ja, ik ben ook maar een mens.
 
Column