Home Column's Column 12

Column 12

Blunder?

  

Zomaar een vrijdagmiddag. Ik besluit om snel nog even de binnenstad van Assen in te gaan voor een paar boodschapjes. Als een wervelwind vlieg ik van winkel naar winkel. Ik heb alles. Vlug naar de plek waar mijn auto staat: de parkeergarage. Al lopend voel ik in mijn tas naar de parkeerkaart. Niets! Ik zoek nog een keer. Nee, echt niets. Zal ik het op de autostoel hebben laten liggen? Daar eerst maar eens kijken.

Ook niets! De eerste paniek slaat toe: Wat nu? Even rustig blijven. Ik probeer de film in mijn hoofd terug te spoelen en draai hem vanaf het binnengaan van de parkeergarage weer af. Maar hoe ik het ook wend of keer, ik kom steeds tot dezelfde conclusie: bij het ingaan van de garage heb ik geen kaartje gepakt. 

Ik klamp een toevallig passerende vrouw aan: “Heeft u een parkeerkaart gekregen?” (hopelijk klink ik niet te wanhopig) Haar antwoord is positief. Nee hè, het is niet waar. Zal ik gek worden? Hoe kom ik nu uit deze parkeergarage? 

Ik stap in de auto en rij naar beneden. Daar zet ik hem buiten de parkeervakken neer en stap uit. Vlug loop ik naar het hokje, waar nog wel eens een parkeerwachter zit. Nu niet natuurlijk. Wel staat er op het raam een telefoonnummer. Moet ik dit nummer bellen? Tja, wat heb ik voor andere opties? Bibberig toets ik het nummer op mijn mobieltje in. Na een aantal keren overgaan wordt er aan de andere kant van de lijn opgenomen door een vriendelijke vrouwenstem:  “Met de algemene meldkamer van openbare ruimtes…..”

 Warrig begin ik mijn verhaal: over het inrijden, geen kaartje pakken, niet meer weten of de poort open was, maar het zal wel, want anders had ik hem toch geraakt….. en over het nu staan zonder kaartje voor een dichte poort. Ik verklaar mijzelf voor gek en hoop dat de vrouw van de meldkamer dat niet doet. Even is het stil, dan hoor ik hartelijk gelach in mijn oor. Ze kan er de humor wel van inzien en besluit me door te verbinden met de parkeerwacht.

Niet veel later komt er een grote man aanlopen in een indrukwekkende outfit: “Is deze auto van u, mevrouw?” Hij wijst op mijn auto, die natuurlijk midden in het pad staat. Aangezien er verder niemand in de buurt is, neem ik aan dat hij tegen mij praat. Met de telefoon nog aan de oor knik ik instemmend. “Die staat daar fout geparkeerd.” (Nee zeg, daar was ik nog niet achter gekomen). Stotterend en wijzend naar mijn telefoon probeer ik uit te leggen hoe de situatie in elkaar zit. 

“Leg eerst die telefoon maar neer”, zegt de man op strenge toon. Prompt doe ik wat hij vraagt. “Probeert u nu eens rustig te vertellen wat er aan de hand is.” Rustig? Ik sta mezelf hier faliekant voor paal te zetten en dan moet ik rustig blijven? Hortend en stotend doe ik nogmaals een poging om uit te leggen dat ik geen kaartje heb en dus niet de parkeergarage uit kan. Dat ik niet weet waarom ik geen kaartje heb en dat ik denk dat ik gek word. Daarbij probeer ik zo zielig en schuldbewust mogelijk te kijken. Zal het helpen? Of word ik zo meteen door man meegevoerd naar een lugubere, kille cel. Even is het stil. Hij kijkt naar de auto, dan naar mij, schud een keer met zijn hoofd en zegt bedachtzaam: “Mevrouw, stap maar in de auto, rij naar de uitgang, dan doe ik de poort open.”

Yes! Ik kan wel juichen, hem om de nek vliegen, maar hou me in. Zo rustig mogelijk loop ik naar de auto, stap in en zorg dat ik vliegensvlug bij de poort ben. Uitbundig zwaai ik naar de man die mij uit mijn lijden heeft verlost.  
 
Column